Overheid
Het handelen van de overheid raakt iedereen in de Nederlandse samenleving. De overheidsuitgaven vormen circa de helft van het bruto binnenlands product (bbp) en de overheid financiert deze uitgaven grotendeels via belasting- en premieheffing.
Het CPB volgt de overheid op financieel-economisch gebied: hoe ontwikkelen de overheidsuitgaven, de overheidsinkomsten, begrotingstekort en staatsschuld zich? Het CPB brengt diverse ramingen uit voor de korte- en middellangetermijn en doet onderzoek naar de collectieve sector in den brede.
- Begroting en collectieve uitgaven
- Belastingen en sociale premies
- EMU-saldo en -schuld
- Onderzoek naar de collectieve sector
- Recente publicaties
Bekijk/download de Toelichting op prijsmutaties van de overheid.
Begroting en collectieve uitgaven
De overheidsuitgaven worden geraamd in de overheidsrekening, dit is een boekhoudkundig model van de inkomsten en uitgaven van de collectieve sector. Het maakt onder meer gebruikt van ramingen van de zorguitgaven en de sociale zekerheidsuitgaven. Bij de raming van de overheidsuitgaven wordt een onderscheid gemaakt naar verschillende categorieën (openbaar bestuur, onderwijs, zorg etc.).
Belastingen en sociale premies
Het totaal aan belastingen en premieopbrengsten als percentage van bbp is de collectieve lastendruk. Voorbeelden van belastingen en premies zijn de loon- en inkomstenbelasting, de sociale verzekeringspremies, de btw, de vennootschapsbelasting en accijnzen, maar ook belastingen door lokale overheden zoals de onroerendezaakbelasting. De collectieve lasten worden geraamd met behulp van de modellen BIMBAM en MIMOSI. Hierbij maken wij onderscheid tussen ontwikkelingen als gevolg van beleid en ontwikkeling door veranderende belastinggrondslagen.
EMU-saldo en -schuld
Het EMU-saldo is het saldo van de inkomsten en uitgaven van de overheid. De EMU-schuld wordt bepaald door de schuld in het voorgaande jaar, het huidige EMU-saldo en financiële transacties bijvoorbeeld als gevolg van de interventies in de financiële sector. De Europese Unie heeft criteria vastgesteld waaraan landen moeten voldoen wanneer zij toe willen treden tot de EU voor zowel het EMU-saldo (niet lager dan -3% bbp) als de EMU-schuld (niet hoger dan 60% bbp). Het CPB brengt vier maal per jaar kortetermijnramingen uit van het EMU-saldo en de EMU-schuld.
Onderzoek naar de collectieve sector
Een voorbeeld van een CPB-onderzoek naar de collectieve sector in den brede is een studie naar de taakverdeling tussen de rijksoverheid, provincies en gemeenten vanuit historisch en economisch-theoretisch perspectief. In deze studie ´Fiscal decentralisation in the Netherlands History, current practice and economic theory´ komen de volgende vragen aan bod: Moeten Nederlandse gemeenten veel verder fuseren, zoals in de heroverwegingsrapporten wordt gesuggereerd? Moeten de stadsregio's inderdaad worden afgeschaft? En hoe efficiënt is de rol van de 150 jaar oude provincies bij de ruimtelijke ordening?
Een andere CPB-studie is het onderzoek naar de invloed van de vergrijzing op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën: ´Vergrijzing verdeeld; toekomst van de Nederlandse overheidsfinanciën´.
De overheidsrekening is een gedetailleerd boekhoudkundig model van de inkomsten en uitgaven van de collectieve sector op de korte en middellange termijn. Het model combineert de macro-economische optiek uit de Nationale rekeningen met specifieke budgettaire begrippen (EMU-saldo en -schuld, uitgavenkaders).
De belangrijkste inputs bij de raming zijn:
Recente nationale rekeningen-cijfers over de overheid
Budgettaire informatie van het Ministerie van Financiën, zoals meerjarige begrotingen, uitvoeringsnota's en nota's met nieuw beleid;
Macro-economische informatie van het macro-model (loonvoet, rente, prijsontwikkeling);
Informatie vanuit modellen over specifieke delen van de overheidsfinanciën (belastingen, premies, uitkeringen en gasopbrengsten).
Bij de raming wordt rekening gehouden met diverse specifieke budgettaire mechanismen, zoals de bepaling van loon- en prijsbijstelling, de koppeling van de uitkeringen aan gemeente- en provinciefonds aan de netto gecorrigeerde rijksuitgaven en de invloed van het nationale inkomen op ontwikkelingshulp.
Sinds de Macro Economische Verkenning 2004 is de tabellenset collectieve sector drastisch vernieuwd. Deze output van de overheidsrekening wordt toegelicht in CPB Memorandum 74.
De nieuwe tabellenset van de collectieve sector is ook het uitgangspunt voor het herziene collectieve sector blok in de macromodellen van het CPB, zie CPB Memorandum 106.
Detailramingen voor de korte en middellange termijn van de belastingontvangsten worden gemaakt met BIMBAM (Belastinginformatiemodel / Belastingautonomenmodel). Met dit model worden ramingen gemaakt voor de ontvangsten van alle belastingsoorten, met uitzondering van de loon- en inkomstenbelasting.
Daarnaast worden ramingen gemaakt voor het IB-plichtig inkomen van zelfstandigen, de ontvangsten box II en box III, de verrekende dividendbelasting en de aftrek- en bijtelposten, ten behoeve van de raming van de loon- en inkomstenbelasting met MOSI. De ramingen worden gemaakt door voor elke belastingsoort of onderscheiden afsplitsing daarvan de ontwikkeling van de relevante grondslag te ramen op basis van het meest recente economisch beeld en het effect van beleid en uitvoeringsmutaties hieraan toe te voegen.
Daarnaast belicht het model ook de vele aspecten van de belastingontvangsten. Zo maakt het onderscheid tussen de belastingontvangsten op kasbasis of EMU transactiebasis, onderscheidt het verschillende soorten betalers (huishoudens, bedrijven, buitenland) en ontvangers (rijk, lagere overheden, buitenland), berekent het de progressiefactor en de microbelastingdruk. Ook maakt het model een aansluiting tussen de belastingcijfers conform opstellingen van het CBS en de belastingraming van het ministerie van Financiën. Tenslotte bevat BIMBAM de administratie van het effect van beleid op de verschillende aspecten van de belastingontvangsten.
Het microsimulatiemodel MIMOSI geeft bij ramingen en beleidsanalyses een beeld van de koopkrachtontwikkeling voor circa 85.000 kernpersonen plus hun huishoudensleden (in totaal ongeveer 240.000 personen).
Het is een simulatiemodel waarmee de koopkrachteffecten van beleid doorgerekend kunnen worden. Daarnaast wordt MIMOSI ook ingezet voor de raming van de loonvoet. De microdata zijn afkomstig uit het InkomensPanelOnderzoek uit 2002 (IPO2002). Een deel van de gegevens (zoals de deeltijdfactor, informatie over woon-werkverkeer, jaarlijkse huur, leeftijden en vermogensbestanddelen) is bijgeschat uit andere bronnen.
MIMOSI wordt beschreven in CPB Document 161.
Het EMU-saldo is het saldo van de inkomsten en uitgaven van de overheid. Hierbij zitten ook door inkomsten en uitgaven met een kapitaalkarakter, zoals aan- en verkopen grond, de verkoop van UMTS-licenties, investeringen, investeringsbijdragen, opbrengsten uit de verkoop van gas en de afkoop van de jaarlijkse subsidies aan woningcorporaties in 1995. Financiële transacties als de verkoop van deelnemingen of het verstrekken van kredieten, bijvoorbeeld aan bedrijven of studenten, worden echter niet als inkomsten of uitgaven gezien.
Het EMU-saldo komt vrijwel overeen met het vorderingensaldo van de overheid uit de Nationale rekeningen. Het enige verschil bestaat uit een correctie voor het netto rentevoordeel door de renteswaps van de overheid. Deze correctie is voor Nederland van marginaal belang: tot 2002 was geen correctie nodig en vanaf 2002 gaat het tot dusver om bedragen van ongeveer 100 miljoen euro (0,02%BBP).
In 1992, sinds het verdrag van Maastricht, heeft het EMU-saldo het financieringssaldo als het centrale budgettaire kengetal vervangen.
De EMU-schuld is de nominale schuld van de overheid (rijk, sociale fondsen en overige centrale en lokale overheid) waarbij wordt geconsolideerd voor de schuldverhoudingen binnen de overheid. In het verdrag van Maastricht is afgesproken dat de EMU-schuld van een land beneden de 60% van het BBP moet blijven of geleidelijk naar een dergelijk schuldquote toe moet bewegen.
De EMU-schuld geeft geen goed beeld van de financiële positie van de overheid. Voor dit doel is het begrip netto financieel vermogen van de overheid uit de Nationale Rekeningen meer geschikt. Het netto financieel vermogen houdt ook rekening met het bezit van aandelen en het verlenen van krediet aan bedrijven en huishoudens. In 2003 gaat het om ruim 110 miljard euro aan dergelijke vorderingen, d.w.z. ongeveer 25% BBP.
Een tweede verschil is de waardering van de verhandelbare obligatieschuld. Bij de EMU-schuld wordt deze tegen nominale waarde geboekt, terwijl het financiële vermogenssaldo uitgaat van de marktwaarde van de obligatieschuld. Door de gedaalde rente is de marktwaarde van de obligatieschuld nu groter dan de nominale waarde. In 2003 gaat het om 10 mld euro, d.w.z. 2% BBP.
De EMU-schuld en het netto financieel vermogen hebben alleen betrekking op financiële activa. De omvangrijke niet-financiële bezittingen van de overheid, zoals infrastructuur, gebouwen, grond en gasvoorraden, blijven dus buiten beschouwing.
Cijfers over de ontwikkeling van de overheidsschuld vanaf 1950 en het vermogen van de overheid vanaf 1970 worden gepresenteerd in het kader Financiële positie van de overheid in MEV 2006 (pagina 140).
Voor de bepaling van de houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinancien moet niet alleen naar het vermogen van de overheid, maar ook naar de toekomstige uitgaven en inkomsten worden gekeken. Dit is nader uitgewerkt in CPB Bijzondere Publicatie 61: Ageing and the substainability of Dutch government finances.
Ex-ante budgettaire effecten pakket GroenLinks, verstuurd op 26 april 2012
CPB-doorrekening pakket GroenLinks.
CPB Notitie | 26‑04‑2012 | Download (PDF document, 1.1 MB)
Ex-ante budgettaire effecten pakket ChristenUnie, verstuurd op 26 april 2012
CPB-doorrekening pakket ChristenUnie.
CPB Notitie | 26‑04‑2012 | Download (PDF document, 1011.3 KB)
Ex-ante budgettaire effecten pakket D66, verstuurd op 26 april 2012
CPB-doorrekening pakket D66.
CPB Notitie | 26‑04‑2012 | Download (PDF document, 1 MB)
Ex-ante budgettaire effecten pakket PvdA, verstuurd op 26 april 2012
CPB-doorrekening pakket PvdA.
CPB Notitie | 26‑04‑2012 | Download (PDF document, 1.1 MB)
Doorrekening Catshuispakket: de maatregelen
In deze Notitie worden de doorgerekende maatregelen van het Catshuispakket weergegeven.
CPB Notitie | 23‑04‑2012 | Download (PDF document, 1.4 MB)




